Er was eens een prinsesje. Zoals dat hoort bij prinsesjes, was het een prachtig meisje om te zien. Met haar mooie gezichtje en goudblonde krullen betoverde zij iedereen om haar heen. Alle mensen waren dan ook dol op het prinsesje en haar lakeien droegen haar op handen. In de paleizen waar ze woonde, werd ze de hele dag vertroeteld. Er werd voor haar gezongen, voorgelezen, haar handjes en voetjes gemasseerd en uitgebreid met haar geknuffeld. Alles werd voor het prinsesje geregeld en in haar rijtuig werd ze overal naar toe gereden. Ze hield van de zon en wind op haar gezichtje en luisterde graag naar alle mooie geluiden om haar heen.In het land van het prinsesje woonden ook twee grote gemene monsters. Zoals dat hoort bij echte prinsesjes, was ze niet alleen heel mooi, maar ook heel erg dapper. Iedere dag opnieuw trok het prinsesje daarom ten strijde tegen het lelijke lichtflitsenmonster en het grote groene glibbermonster. Ze raadpleegde de beste tovenaars uit het land en had de beste toverdrankjes tot haar beschikking. Ze bedacht steeds weer iets nieuws om de monsters te slim af te zijn. Soms hulde het prinsesje zich in een diepe dichte mist om de monsters op het verkeerde been te zetten. Met vieze stinkbommetjes wist ze het grote groene glibbermonster vaak op afstand te houden.
Maar op een dag had het lelijke lichtflitsenmonster het prinsesje zo uitgeput, dat ze een nieuw plan moest bedenken. Ze had nog één toverspreuk bewaard, waarmee ze de gemene monsters voorgoed kon verjagen. Heel rustig ging het prinsesje in haar bedje liggen en deed net of ze sliep. Toen het grote groene glibbermonster heel dicht bij haar was, fluisterde ze zachtjes de aller moeilijkste toverspreuk die ze ooit gebruikt had. Plotseling werd het heel licht in het kamertje. Het prinsesje was een prachtige ster geworden en de monsters verschrompelden in het felle licht. De ster straalde nog lang en gelukkig…